Israëlische regering legitimeert extreemrechts via conferentie over antisemitisme
Op 26 en 27 januari 2026 vond in Jeruzalem een internationale conferentie plaats over de bestrijding van antisemitisme. Het evenement werd georganiseerd onder auspiciën van de Israëlische regering en viel samen met Internationale Holocaust-Herdenkingsdag. Overheden, diplomaten en academici waren aanwezig. Dat was verwacht. Minder vanzelfsprekend was wie er nog aan tafel zat.
Onder de deelnemers bevonden zich ook politici uit Europese en internationale extreemrechtse partijen. Namen die elders vooral opduiken in debatten over migratie, nationalisme en identitaire politiek kregen hier een plaats op een officieel, diplomatiek forum. Ze namen deel aan panels, spraken met regeringsvertegenwoordigers en verschenen op hetzelfde programma als ministers en staatsleiders.
Tot de aanwezigen en genodigden behoorden onder meer Geert Wilders (PVV), die via een videoboodschap deelnam, Jimmie Åkesson, leider van de Zweedse Democraten, Sam Van Rooy van Vlaams Belang en de Braziliaanse senator Flávio Bolsonaro, zoon van voormalig president Jair Bolsonaro. Het gaat om politici die in hun thuislanden bekendstaan om harde standpunten over migratie, nationalisme en cultuurstrijd, en die regelmatig worden gelinkt aan radicaal-rechtse of autoritaire discoursen.
Formeel stond de conferentie volledig in het teken van antisemitismebestrijding. In de praktijk ging het debat verder. Migratie, islamitisch extremisme en veiligheid kwamen nadrukkelijk aan bod. Die combinatie is precies wat deze bijeenkomst politiek relevant maakt en controversieel.
De aanwezigheid van extreemrechtse politici was geen toevallige samenloop van omstandigheden en heeft drie duidelijke gevolgen:
Extreemrechts wordt genormaliseerd in diplomatieke contexten. Door politici uit deze hoek uit te nodigen op een officiële conferentie rond een moreel urgent thema, verdwijnen ze stap voor stap uit de positie van politiek randfenomeen. Hun aanwezigheid werkt als institutionele erkenning en reikt verder dan nationale verkiezingscampagnes.
Antisemitismebestrijding wordt verbonden aan bredere cultuur- en veiligheidsagenda’s. Thema’s als migratie, islam en de “bescherming van westerse waarden” komen op één lijn te staan met de strijd tegen haat tegen Joodse gemeenschappen. Dat biedt extreemrechtse partijen ruimte om hun vertrouwde narratieven te presenteren als onderdeel van een legitieme oplossing, niet langer alleen als protest of provocatie.
Hiermee schuift extreemrechts een nieuwe fase van institutionele erkenning op het wereldtoneel binnen. Extreemrechtse leiders worden niet meer uitsluitend geconfronteerd of ondervraagd, maar treden op als gesprekspartners van gevestigde internationale spelers. Die zichtbaarheid versterkt hun positie als serieuze actoren in wereldwijde politieke debatten.
Politiek gaat niet alleen over standpunten, maar ook over wie waar mag spreken. Deelname aan een regeringsconferentie geeft status, los van de inhoud van het betoog. Zelfs zonder expliciete goedkeuring schuift de grens van het aanvaardbare op.
Voor regeringen kan dit samengaan van morele en veiligheidsagenda’s strategisch handig zijn. Beleid dat inzet op controle, afbakening en conflict wordt voorgesteld als ethische noodzaak. Voor extreemrechts is het voordeel minstens zo duidelijk: deelname aan een conferentie over antisemitisme verleent morele geloofwaardigheid en dempt eerdere controverses.
De conferentie in Jeruzalem was daarmee meer dan een debat over antisemitisme. Ze liet zien hoe extreemrechts steeds vaker toegang krijgt tot officiële internationale podia via thema’s die moreel zwaar wegen en moeilijk te bekritiseren zijn. Die stille, institutionele verschuiving is precies wat deze ontwikkeling zo ingrijpend maakt.
Niet door wat er werd gezegd, maar door wie er mocht aanschuiven.

